Tickets

De optische revolutie

De optische revolutie die de Vlaamse meester 600 jaar geleden teweeg bracht, blijft tot op vandaag fascineren, en ontzag en nederigheid opwekken.

Olieverftechniek

Olieverf was vóór Van Eyck een onpraktisch medium. Het was de meester zelf die de samenstelling van de verf perfectioneert, door er siccatieven aan toe te voegen. Deze verkorten de droogtijd en maakt de verf makkelijker manipuleerbaar, waardoor Van Eyck ongeziene kleureffecten kan bereiken.

Op dat vlak kan niemand van zijn voorgangers met hem wedijveren. Voorheen was het gebruikelijk om bepaalde voorwerpen met bladgoud een schittering te geven. Maar Van Eyck kan goud feilloos nabootsen, en bij uitbreiding brengt hij elk materiaal en elke textuur tot leven in zijn schilderijen.

De door Van Eyck sterk verbeterde olieverftechniek inspireert schilders in heel Europa en blijft tot vandaag nazinderen.

Observatie van de wereld

Daarnaast is Van Eycks kunst zodanig gestoeld op de observatie van de werkelijkheid, dat het wel lijkt alsof hij er met andere ogen naar kijkt dan zijn voorgangers. Portretten waren dan ook nog nooit zo levensecht als bij Van Eyck. Zijn schildering van natuurfenomenen, zoals wolken en de maan, of van het opspattend water in een fontein, is ongezien.

Van Eyck wil ook niet enkel nabootsen, maar creëert ook illusies. De portretten van het echtpaar Joos Vijd en Elisabeth Borluut, de opdrachtgevers van het Lam Gods, of de beelden van Maria en de engel Gabriël op de Annunciatiedyptiek, schijnen zo levensecht alsof ze zich daadwerkelijk in ondiepe nissen bevinden. Met dat soort van trompe-l’oeil-effecten lijkt Van Eyck te concurreren met de realiteit zelf.

Schildering van optische lichtverschijnselen

Verder is de nauwgezette observatie van de wereld en de moeite die Van Eyck zich in dat opzicht getroost, nooit eerder gezien. Bij die observatie is Jan van Eycks diepgewortelde interesse voor het schilderen van het licht cruciaal voor zijn optische revolutie. Personen, gebruiksvoorwerpen of interieurs krijgen een driedimensionale vorm door het licht dat op hen schijnt of door de afwezigheid van licht in de schaduwpartijen.

Van Eycks lichtregie is zonder meer geniaal, maar eigenlijk gaat hij nog een stap verder. De hypothese luidt dat de schilder zich niet enkel op de directe waarneming en de schildering van de wereld baseert, maar dat hij ook beschikt over kennis van de werking van het licht. Hij vergaart met andere woorden niet alleen praktische, maar ook theoretische kennis, om de effecten van het licht te reproduceren.